Column: Hans Heg

Holland Festival moet blijven

hansheg.jpg

‘Fijn dat u erbij was!’ Het Holland Festival bedankte begin juli zijn vaste klanten voor hun bezoek aan de zeventigste editie. Dit gekoppeld aan het verzoek of we ook even wilden denken aan de toekomst. Met andere woorden: vriend worden! Doneren! ‘Het festival gelooft anno nu dat kunst van wereldklasse niets aan relevantie verloren heeft: ze verbreedt de horizon, scherpt de geest, vergroot empathie, ze verrast, ontroert en inspireert.’ Mooie woorden die ook in 1947 en zelfs al tijdens de Duitse bezetting leefden in de hoofden van een paar idealisten. Onder wie de grootvader van de huidige Concertgebouwdirecteur, mr. H.J. Reinink, lange tijd de hoogste baas op het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen. Daarnaast was hij 25 jaar voorzitter van het HF. Hij benutte die dubbelfunctie om, samen met geestverwanten, een festival van internationaal formaat uit de grond te stampen. De uit Duitsland gevluchte impresario Peter Diamand was officieel secretaris van het bestuur, maar in wezen was hij de eerste artistiek leider. Hij bekende me in 1987 voor de camera dat ze er aanvankelijk heilig van overtuigd waren dat het met de Festspiele van Salzburg en Bayreuth na 1945 afgelopen zou zijn.

Vanwege de nauwe banden die ze hadden met Hitler. Wat een misvatting. Na een paar jaar verplicht pauzeren mochten ze weer meedraaien. Ook ‘foute’ dirigenten als Böhm en Von Karajan konden na een strafperiode gewoon weer aan de slag in Duitsland en Oostenrijk. In Amsterdam en Scheveningen (waar het Kurhaus toen nog in full swing was als hotel én als concertzaal) startte men bescheiden met een zomerfestival dat de curieuze titel ‘High Arts in the Low Lands’ meekreeg. In 1948 was het eerste echte Holland Festival een feit. Aan de opzet is in die zeventig jaar niet veel veranderd, afgezien dan van het besluit het festival definitief in Amsterdam te vestigen. En om daar ook alle voorstellingen en concerten te laten plaatsvinden. Wat op zich niet zo vreemd is, sinds er in onze culturele hoofdstad toplocaties als het Muziektheater (nu Nationale Opera & Ballet) en het Muziekgebouw aan ’t IJ zijn bijgekomen. De tijd dat het HF een speelbal was van de landelijke en soms ook lokale politiek – cultuurspreiding was lange tijd het devies – is gelukkig voorbij. Het Rijk en Amsterdam zijn nu de vaste subsidiënten. Gebleven is niet alleen de verplichting om topkunst van elders te brengen maar ook om de grote kunstinstellingen in eigen land tot iets bijzonders en tot samenwerking aan te zetten.

Zonder het kolkende Concertgebouworkest onder zijn nieuwe chef Daniele Gatti zou de productie van Strauss’ Salome bijvoorbeeld nooit de wereldklasse hebben gehaald die we nu kregen voorgeschoteld. En zou sopraan Eva-Maria Westbroek hetzelfde niveau hebben gehaald als ze niet een topzanger als Jonas Kaufmann naast zich had gehad in het Concertgebouw? Hun duet uit Die Walküre was onvergetelijk. In het Verdi-gedeelte voor de pauze moest ik met enige weemoed terugdenken aan hoe onze wereldster van weleer, Gré Brouwenstijn, dit repertoire zong. Wie wil weten wat ik bedoel zou eens moeten luisteren naar het vlammende duet uit de tweede acte van Un ballo in maschera , dat ze in het festival van 1958 zong met tenor Giuseppe Zampieri. Voor zo’n voorstelling moest je wel een hele nacht in de rij om de goedkoopste kaartjes van 5 of 7,50 gulden te kunnen bemachtigen. Dat waren nog eens tijden. De cultuurhonger was nauwelijks te stillen. Ik noem Brouwenstijn met name omdat zij met steun van het festival groot is geworden. Daarna kon ze haar vleugels uitslaan. Van Wenen naar Bayreuth, Londen en Buenos Aires.

34a.jpg In 1949 werd ze ‘ontdekt’, in 1971 nam ze groots afscheid in de RAI met het Concertgebouworkest onder Bernard Haitink. Het kan zijn dat Westbroek die eer straks ook ten deel valt, maar ik ben eigenlijk meer geïnteresseerd hoe het verder gaat met het Ragazze Quartet en vooral met Lucas & Arthur Jussen. Die dit jaar door het festival in ander, nieuw repertoire werden gelanceerd. Dit op initiatief van programmeur Jochem Valkenburg. De vier ‘meiden’ van het Ragazze en de twee broers pakten deze kans met veel lef aan. Het intrigerende elektronische kwartet Black Angels van de Amerikaan George Crumb werd met overtuiging neergezet. De Jussens maakten furore in het Concertgebouw met een verbluffende kijk op Stockhausens megalomane Mantra (voor twee vleugels, slagwerk en allerlei elektronica).

Ze hadden zich grondig verdiept in de achtergronden van dit vijf kwartier durende werk. Hadden overal om raad gevraagd en er toch een heel eigen versie van gemaakt met mooie theatrale momenten. Zelfs met een paar geestige interrupties. Wat zou Stockhausen hiervan hebben gevonden? Niet dat me dit echt interesseert, want wat de Jussens presteerden was aanzienlijk boeiender dan de taaie versie die de gebroeders Kontarsky (voor wie Mantra werd geschreven) indertijd in het HF brachten. Het blijft boeiend om te zien welke nieuwe paden Lucas en Arthur Jussen inslaan. Het lijkt erop dat hun opname van het dubbelconcert van Poulenc een internationale hit gaat worden. In het aloude discussieprogramma op de zondagmiddag op de Franse radio, La tribune des critiques de disques , werd hún interpretatie op 21 mei terecht de hemel in geprezen. Ook het Concertgebouworkest kreeg een bloemrijke pluim op de hoed. De uitzending is nog steeds te beluisteren op de site van France Musique/ emissions.

35a.jpg SAINT-SAËNS, SAY, POULENC, LE CARNAVAL DES ANIMAUX e.a. LUCAS & ARTHUR JUSSEN, KONINKLIJK CONCERTGEBOUWORKEST

Bestel nu

35b.jpg BELLINI, MONTEVERDE e.a. FIFTY YEARS HOLLAND FESTIVAL GIULIETTA SIMIONATO, GRÉ BROUWENSTIJN e.a.

Bestel nu